Scheveningen

Meditatie

“..Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit ook wij de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus…”                                                                                           Fil. 3 : 20

 

Paulus spreekt hier namens de gelovigen. Niet een ieder kan dat zeggen: Maar onze wandel is in de hemelen….Het merendeel heeft zijn wandel op de aarde. Dat is zijn thuis. Daar gevoelt men zich ook thuis. Zij zijn van beneden. Zij kennen maar een enkele geboorte, dat is hun natuurlijke geboorte. Doch de gelovigen kennen ook nog een tweede geboorte. Zij zijn naast hun natuurlijke geboorte, ook van Boven geboren. Daarom moeten zij ook wel leven op aarde. Maar hun eigenlijke leven hebben zij toch niet op de aarde. Daarom zijn zij op deze aarde ‘vreemdelingen’,  doorreizigers, naar hun eigenlijke vaderland, dat is de hemel.

 Paulus leefde daar al in gedachten. Maar onze wandel is in de hemelen. Geen wonder want daar was de Zaligmaker. Het woord Zaligmaker heeft in deze tekst een geweldige betekenis. Hij heeft immers de gelovigen zalig gemaakt, dat is: hen verlost van het hoogste kwaad gebracht tot het hoogste goed.  Wat waren die gelovigen, voor  zij de Zaligmaker  kenden, ongelukkig. Zij waren prooien van de vorst der duisternis. Die hield hen gevangen. Toen hun ogen daarvoor open gingen, konden zij zichzelf niet helpen. Zij moesten geholpen worden. Nu dat heeft de Heere Jezus Christus gedaan. Hij heeft alles gedaan om hen zalig te maken. En nu verkeert Hij in de hemel om voor Zijn volk aldaar een plaats te bereiden. En daarna zou Hij wederkomen om de Zijnen thuis te halen. Paulus zegt: Wij verwachten Hem, wij zien uit naar Zijn wederkomst. Dan gaan wij ook naar huis. Dan zijn we eeuwig met de Bruidegom verenigd. Dan zijn we eeuwig bij God. Dan zijn we eeuwig bij al degenen die ons lief zijn, dat is het volk van God. Dan zijn we voorgoed verlost van de duivel, de wereld en ons boze bestaan. Dan is de zaligheid volkomen. Paulus kende een blij vooruitzicht, dat hem streelde. Daarom: Maar onze wandel, is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker, namelijk de Heere Jezus Christus verwachten.

Geliefde lezer, geldt dit ook van u en van mij? Waar hebben wij onze wandel? Waar verkeren wij met onze gedachten? Waar voelen wij ons thuis? Zijn wij hemelsgezind? Bedenken wij de dingen die Boven zijn, waar Christus is, en niet op de aarde zijn?

Of, gevoelen wij ons nog thuis hier op het benedenrond? Zitten wij met al de vezelen van ons bestaan nog aan de wereld verbonden? Dan is dat geen best teken. Er staat in de Bijbel: Waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn. Als we nu met ons hart op de aarde verkeren, dan staat het te vrezen, dat onze schat op de aarde is. En alles wat van de aarde is, moeten we in het uur van onze dood achterlaten. En als we dan de Zaligmaker niet hebben leren kennen, dan is het voor eeuwig omkomen.

Misschien zegt iemand: ik heb betere tijden gekend. Toen was de hele wereld mij geen cent waard. Toen leefde ik met mijn hart in de hemel. Toen leefde ik in gemeenschap met de Heere. Toen was Hij mij boven alles dierbaar. Toen heb ik het ook wel eens uitgeroepen: kom Heere Jezus, verlos mij volkomen, haal mij thuis. Mijn hart verlangt naar U, mijn ziel dorst naar U! Ik ben het op deze aarde zo moe. Ik ben het zondigen zo moe. God des levens, ach wanneer; zal ik naderen voor Uw ogen, in Uw huis Uw naam verhogen.

En “wandelt” u daar nu niet meer, dan bent u van het pad af. Dat komt nogal eens voor. Ja, dat is de eigenlijke kwaal van de Kerk in deze tijd. Men is zo aardsgezind en zo weinig hemelsgezind. De wijze maagden liggen met de dwazen te slapen. Er is schier geen onderscheid tussen dien die God dient en dien die Hem niet dient. Hoe moest die mij en u, die verstand van zaken heeft, het aangezicht met schaamte bedekt doen hebben, omdat de liefde op zo’n laag pitje staat. Want dat is de oorzaak van alle ellende. Leefde men meer vanuit de borgverdiensten van de Heere Jezus, Hij zou meer geëerd en gediend worden. Er zou ook meer naar Hem verlangd worden. Het is geestelijk onnatuurlijk als men het zo lang en gemakkelijk buiten de Heere kan stellen. Niemand kan hier iemand de schuld geven, of het zou alleen zichzelf moeten zijn.

Nochtans moet de Heere er zelf aan te pas komen, om ons los te maken, van alles waaraan we nu zo verbonden zijn boven mate. Hoe is daartoe nodig de doorwaaiïng van de Hof des Heeren met de wind des Geestes, opdat de Kerkhof geen kerkhof wordt. Opdat het persoonlijk geestelijke leven niet smakeloos en reukloos wordt. Want dat is niet tot eer des Heeren en tot welzijn van de ziel. Daarom, ontwaakt Noordenwind, en kom, gij Zuidenwind; doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame en ate Zijn edele vruchten.

 

 

Wijlen ds. H.C. v.d. Ent.

Nog geen commentaren

Geef een reactie

  • zaterdag 19 oktober 2019 - Filippenzen 2:2-3
    Zo vervult mijn blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde. Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven. -- Filippenzen 2:2-3